Nieuws over de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg

Inleiding

Onlangs heeft de Eerste Kamer een voorlopig verslag uitgebracht over het wetsvoorstel inzake de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Dat verslag staat bol van de kritische vragen. Er zijn twijfels over nut en noodzaak van de wet en over de regeling voor het melden van incidenten. De verplichte aansluiting bij een externe geschillencommissie zou zelfs strijdig zijn met het EVRM.

Nut en noodzaak van het wetsvoorstel

Door invoering van de Wkkgz zullen de Kwaliteitswet Zorginstellingen en de Wet klachtrecht cliënten zorgsector verdwijnen. Veel artikelen uit die wetten komen terug in de Wkkgz. Veel fracties uit de Eerste Kamer (waaronder ook die van de regeringspartijen) hebben vragen aan de minister gesteld over de noodzaak van deze wet. Zij hebben geen aanwijzingen dat de klachtenregelingen en geschillenbeslechting zoals die momenteel plaatsvinden verbeterd moeten worden. De Inspectie voor de Gezondheidszorg, de Raad van State en de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg zouden van mening zijn dat dat patiëntenrechten en dus ook het klachtrecht reeds goed geborgd zijn. Ook is gewezen op de Gedragscode openheid medische incidenten; betere afwikkeling medische aansprakelijkheid (GOMA) waarvan het effect en de resultaten nog onvoldoende duidelijk zijn. Als er al knelpunten zijn, dan is het volgens diverse Eerste Kamerfracties bovendien de vraag of die zouden moeten worden weggenomen via deze Wkkgz.

Goede zorg

De Eerste Kamer leden stellen ook de nodige vraagtekens bij de term “goede zorg”. Volgens het wetsvoorstel biedt een zorgaanbieder “goede zorg” aan. Is dat hetzelfde als “verantwoorde zorg” die een zorgaanbieder krachtens de wet BIG moet verlenen? En komt dat ook weer overeen met de “zorg van een goed hulpverlener” zoals genoemd in de WGBO?

Niet helemaal duidelijk is verder wat de reikwijdte van de Wkkgz zal zijn. Gaat het alleen om zorg die vergoed wordt krachtens de Zorgverzekeringswet en de AWBZ of vallen thuiszorg, mantelzorg en zorg door vrijwilligers (bijvoorbeeld in een hospice) er ook onder?

Incidenten melden

Volgens de Wkkgz moet een zorgaanbieder een incidentenregistratie bijhouden. Daarin moeten alle incidenten geregistreerd worden. Het doel van een dergelijke incidentenregistratie is het verbeteren van de kwaliteit van de zorg. Medewerkers moeten zich dus vrij en veilig voelen om incidenten te melden. Als zij het risico lopen dat zij kunnen worden afgerekend op incidenten waarbij zij betrokken waren, zal de bereidheid om te melden afnemen. Daar lijkt de wetgever wel aan te hebben gedacht. Volgens het wetsvoorstel kunnen gegevens uit het incidentenregister niet in een civielrechtelijke, strafrechtelijke, bestuursrechtelijke of tuchtrechtelijke procedure als bewijs worden gebruikt. Evenmin kan een disciplinaire maatregel, een bestuurlijke sanctie of een bestuurlijke maatregel daarop worden gebaseerd. Dat is alleen anders als het gaat om gegevens met betrekking tot een calamiteit of geweld in de zorgrelatie. Ook kunnen de gegevens voor strafrechtelijk bewijs worden gebruikt indien zij redelijkerwijs niet op een andere manier kunnen worden verkregen. Met name dat laatste kan op kritiek van de Eerste Kamer rekenen. De fracties pleiten er voor om een regeling te treffen die vergelijkbaar is met die in de Luchtvaartwet. Daar gaat het immers ook om mensenlevens. Volgens de Luchtvaartwet kunnen gegevens uit incidentenregistraties alleen gebruikt worden in strafrechtelijke procedures ingeval van grove nalatigheid of opzet en alleen na toetsing door de Rechter-commissaris, aldus de kamerleden.

De cliënt moet volgens de Wkkgz onverwijld worden geïnformeerd over aard en toedracht van een incident dat zich bij de zorgverlening aan de cliënt heeft voorgedaan en dat merkbare gevolgen heeft of kan hebben voor de cliënt. Is de cliënt overleden, dan worden de nabestaanden geïnformeerd. Hiermee wordt naar mijn mening het beroepsgeheim doorbroken. Immers, het beroepsgeheim geldt ook na de dood. Zorgverleners mogen nabestaanden alleen informatie verstrekken over de cliënt (en dus ook over aard en de toedracht van een incident) als de cliënt daar toestemming voor heeft gegeven of als die toestemming kan worden verondersteld. In veel gevallen zal dat laatste aan de orde zijn en kunnen nabestaanden gewoon geïnformeerd worden. Maar dat moet wel van geval tot geval bekeken worden. De wetgever verstaat onder nabestaanden bijvoorbeeld ook ouders, kinderen, broers en zussen. Dat is een ruime kring, voor veel mensen zal die te ruim zijn. Het zou beter zijn geweest als de wetgever op dit punt aansluiting zou hebben gezocht bij de bestaande jurisprudentie op dit punt. Door bijvoorbeeld nabestaanden alleen inzage in informatie omtrent het incident te geven “voorzover de zorgaanbieder de toestemming van de overleden cliënt ter zake kan veronderstellen.”

Klachten en geschillen

Het wetsvoorstel biedt geen wettelijke basis meer voor een klachtencommissie zoals die er nu wel is op grond van de Wet Klachtrecht cliënten zorgsector. Wel moeten zorgaanbieders klachten binnen zes weken of, als uitvoeriger onderzoek nodig is, binnen tien weken schriftelijk beoordelen. Ook moeten zorgaanbieders zich aansluiten bij een externe en onafhankelijke geschilleninstantie die onder meer claims kan beoordelen tot een waarde van € 25.000,-.

Op deze regeling is veel kritiek gekomen. Zo zijn de Eerste Kamerleden vrijwel allemaal van mening dat niet elke klacht een schriftelijk oordeel nodig heeft. Soms is ook een goed gesprek tussen de betreffende zorgverlener en de patiënt voldoende om het probleem op te lossen. De procedure zou te veel gejuridiseerd worden. Dat geldt ook ten aanzien van het samenvoegen van klachten en schadeclaims door deze door een externe geschilleninstantie te laten beoordelen. Het behandelen van een schadeclaim vergt volgens de Eerste Kamerleden een andere (meer juridische) aanpak dan het behandelen van een klacht omtrent bijvoorbeeld bejegening of een onsmakelijke maaltijd.

De vraag is ook gesteld of deze regelgeving omtrent klachten en geschillen zou moeten gelden voor kleinere zorgaanbieders. Zij zijn soms niet in staat om een regeling op te tuigen waarmee klachten binnen zes weken worden afgehandeld, zeker niet gezien de regeldruk waaronder veel zorgaanbieders toch al gebukt gaan.

In dit kader vraag ik mij bovendien af hoe het wetsvoorstel zich verhoudt tot het wetsvoorstel inzake mediation. Dat wetsvoorstel stelt immers regels om het gebruik van mediation ter voorkoming van juridische procedures te bevorderen. Ook in de zorg is mediation nu al vaak een manier om een geschil op een voor alle partijen bevredigende manier uit de wereld te helpen.

Het belangrijkste punt van kritiek is evenwel de verplichting van de zorgaanbieder om zich aan te sluiten bij een externe geschillencommissie. Het is een grondrecht van een ieder om zich tot de gewone, openbare rechter te mogen wenden. Daar kan in vrijheid van worden afgeweken, door bijvoorbeeld vrijwillig arbitrage of bindend advies af te spreken. Door de Wkkgz worden zorgaanbieders echter verplicht zich te onderwerpen aan het bindend advies van een Geschilleninstantie. Dat is in strijd met artikel 6 van het EVRM, aldus een groot aantal Eerste Kamerleden.

Conclusie

De Wkkgz zou naar verwachting in juli van dit jaar in werking treden. Gezien het grote aantal vragen van de Eerste Kamer en ook de fundamentele aard van die vragen vraag ik me af of die termijn gehaald gaat worden. Het zal niet de eerste keer zijn dat een wetsvoorstel alsnog in de Eerste Kamer strandt.