Europees vrij verkeer van diensten en vestiging

De voornaamste doelstelling van de EU is het tot stand brengen van één gemeenschappelijke markt. Om deze doelstelling te bereiken, ontplooit de EU verschillende activiteiten. Deze zijn gericht op het bewerkstelligen van een vrij verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal. Ook wordt daarbij een regime van vrije mededinging nagestreefd.
Bij dienstverrichtingen moet worden gedacht aan activiteiten van industriële en commerciële aard en aan ambachten en vrije beroepen. Voor de toepassing van het vrij verkeer van diensten geldt dat alle relevante aspecten met betrekking tot de dienstverrichtingen zich niet mogen beperken tot één lidstaat, wat betekent dat er in principe een grensoverschrijdend element aanwezig moet zijn. Hierbij worden vier categorieën onderscheiden. Ten eerste kan de dienstverrichter zich verplaatsen naar het land waar de dienst wordt verleend. Ten tweede kan de dienstontvanger zich verplaatsen naar het land waar de dienst wordt verricht. Ten derde kan zowel de dienstverrichter als de dienstontvanger zich verplaatsen naar het land waar de dienst wordt verricht. En ten vierde kan de dienst zélf zich verplaatsen, terwijl de dienstverrichter en dienstontvanger zich niet verplaatsen. Deze situatie doet zich bijvoorbeeld voor bij financiële dienstverlening en bij diensten via de kabel. Uitgangspunt is dat overheidsmaatregelen het vrij dienstenverkeer niet mogen belemmeren, anders dan om dwingende redenen van algemeen belang. En dit laatste alleen voor zover het proportioneel is om dat publieke doel te bereiken. Het Europees vrij dienstenverkeer kan worden toegepast door de nationale rechter. Het vrij vestigingsrecht heeft veel gemeen met het vrij dienstenverkeer. In beide gevallen gaat het om de vrije bedrijfs- en beroepsuitoefening. Het belangrijkste verschil is dat het vrij vestigingsrecht van toepassing is als de diensten duurzaam ter plaatse worden verricht en dus niet een tijdelijk karakter hebben